Wanneer wij elkaar bij de supermarkt zouden ontmoeten, zou u niet meteen denken: kijk, daar loopt nu een typische digibeet.
Dat komt omdat ik er niet uitzie als iemand die door een router kan worden gegijzeld. Ik loop rechtop. Ik kan een gesprek voeren. Ik weet hoe je witlof koopt zonder morele inzinking. Ik heb zelfs een telefoon waarop ik berichten kan lezen, foto’s kan bekijken en per ongeluk dingen kan liken van mensen die ik niet mag.
Maar schijn bedriegt.
Ik ben digitaal afhankelijk.
Niet een beetje. Niet op een gezellige manier, zoals mensen die zeggen dat ze “niet zo handig zijn met computers” en daarna gewoon hun belastingaangifte doen. Nee, ik bedoel afhankelijk zoals een middeleeuwse horige afhankelijk was van de landheer. Alleen heet de landheer bij mij Dik en zit hij in de kamer naast mij achter een bureau met drie schermen.
Toen ik mijn man leerde kennen, bijna veertig jaar geleden, was hij al vijftien jaar gedigitaliseerd. Hij was zo iemand die “alles” van computers wist in een tijd waarin Nederland nog moest wennen aan het begrip homecomputer. Andere mannen hadden een auto, een brommer of een snor waarmee ze indruk probeerden te maken. Mijn man had kabels.
Veel kabels.
Hij wist waar ze in moesten. Dat vond ik toen aantrekkelijk. Een vrouw van begin twintig vergist zich weleens.
Onze relatie had iets van een eerlijke ruil. Hij wist niets van afwassen, stofzuigen, was sorteren, kledingkasten indelen of het bestaan van onderlakens. Ik begreep niet hoe je computerkastjes aan elkaar moest stekkeren. Hij deed de computers. Ik deed de rest van het leven.
Dat leek handig.
Dat was ook handig.
Tot je ontdekt dat gemak een val is met zachte kussens.
In de vijfendertig jaar daarna heeft mijn man hier alles geïnstalleerd. Computers. Printers. Modems. Routers. Netwerken. Back-ups. Virusscanners. Updates. Schermen. Telefoons. Televisies die vroeger gewoon televisie waren, maar nu eerst met de wifi willen praten voordat ze het journaal tonen. Niet alleen bij ons thuis. Ook bij vrienden, familie, buren en mensen die hem ooit op een verjaardag de fout hebben gemaakt te zeggen: “Jij weet toch iets van computers?”
Dan zag ik hem vertrekken met een tas vol kabels en dat gezicht van een missionaris. Hij ging weer ergens een huishouden redden van een knipperend lampje.
En ik?
Ik hoefde niets te leren.
Ik hoefde alleen maar te roepen: “Zeg Dik, hij doet raar.”
Dat was voldoende. Hij kwam kijken, zuchtte eerst om duidelijk te maken dat ik waarschijnlijk iets onherstelbaars had gedaan, klikte drie keer, typte iets wat voor mij op een bezwering leek, en dan deed alles het weer.
Ik vond dat lange tijd een uitstekende regeling.
Net zoals hij het een uitstekende regeling vond dat zijn onderbroeken vanzelf schoon in de kast verschenen. Wij waren allebei verwend. Alleen noemden we het taakverdeling, omdat dat minder beschamend klinkt.
Maar nu zit ik met de gevolgen. Want net zoals mijn man nog steeds niet weet hoe de wasmachine werkt, weet ik nog steeds niet hoe ik een besturingssysteem moet bijwerken, een router moet instellen of een wachtwoord moet veranderen zonder dat ergens een apparaat begint te huilen.
Het digitale deel van mijn hersenen is leeg gebleven. Niet lui leeg. Niet dom leeg. Maar afgesloten leeg. Alsof daar ooit een kamer voor was gereserveerd, maar mijn man er in 1987 zijn computerkennis heeft opgeslagen en daarna de sleutel heeft meegenomen.
Daar erger ik me aan.
Niet aan hem. Nou ja, ook aan hem, natuurlijk. Ik ben niet van steen. Maar vooral aan mezelf. Dat ik dit heb laten gebeuren. Dat ik nooit heb gedacht: wordt het niet eens tijd, mevrouw Verschuur, dat u deze lacune vult voordat u op een dag niet meer zelfstandig “op internet” kunt?
Want dat is nu dus het geval.
Ik kan niet eens fatsoenlijk op mezelf gaan wonen.
Niet emotioneel, dat zou nog wel lukken. Ik heb boeken, koffie en een indrukwekkend vermogen om mensen te negeren. Maar digitaal? Kansloos. Mijn man beheert alles. Hij kent alle wachtwoorden. Hij weet welke apparaten met elkaar praten. Hij weet welke stekker bij welk zwart kastje hoort. Hij weet waarom er achter de televisie een kabel ligt die nergens in lijkt te zitten, maar die volgens hem “absoluut niet weg mag”.
Ik leef in een huis vol technologie waarvan ik hooguit de voorkant begrijp.
Ik weet waar de aan-knop zit. Meestal.
Voor alles moet ik bij hem zijn.
“Zeg Dik, hoe doe ik dit eigenlijk?”
“Zeg Dik, ik heb mijn tekst opgeslagen, maar nu kan ik hem niet meer vinden.”
“Zeg Dik, waarom doet de printer alsof hij in een arbeidsconflict zit?”
“Zeg Dik, wat is mijn wachtwoord ook alweer?”
En dan komt hij.
Niet meteen natuurlijk. Eerst moet hij laten voelen dat mijn vraag onder zijn niveau is. Hij kijkt dan naar het scherm alsof hij een gewond dier aantreft dat door mijn schuld in het prikkeldraad is gelopen.
“Wat heb je gedaan?” vraagt hij.
Dat is geen vraag. Dat is een aanklacht.
Het antwoord is meestal: “Niets. Ik deed alleen maar…”
Dat gelooft hij nooit.
Volgens mijn man doet een computer niet zomaar iets. Volgens mij is dat precies wat computers doen. Ze doen zomaar iets. Ze wachten tot je moe bent, tot je haast hebt of tot je net een belangrijk document hebt geschreven, en dan zeggen ze: wilt u nu opnieuw opstarten?
Computers zijn apparaten met gevoel voor timing en zonder geweten.
Sinds ik een werkplek in de stad heb, ben ik weer met mijn neus op mijn digitale afhankelijkheid gedrukt. Thuis is mijn man de systeembeheerder van mijn gevangenschap, maar op mijn werkplek is hij er niet. Daar staat een bureau. Daar staat een computer. Er is een stopcontact. Ik kan het apparaat neerzetten, de stekker erin doen en opstarten.
Tot zover mijn zelfstandigheid.
Daarna komt de grote vraag.
Hoe kom je op internet?
Vroeger was dat eenvoudig. Je hoorde een modem gillen alsof er een faxapparaat werd gemarteld, en daarna had je verbinding. Nu is alles zogenaamd draadloos. Dat klinkt vrij. In werkelijkheid betekent het dat de problemen onzichtbaar zijn geworden.
Er is wifi.
Maar welke wifi?
Er is een wachtwoord.
Maar welk wachtwoord?
Er is een netwerknaam.
Maar waarom zijn er zes netwerknamen die allemaal lijken op serienummers van medische apparaten?
Ik zat daar dus op mijn nieuwe werkplek, achter mijn keurige bureau, met mijn computer voor me. Een volwassen vrouw. In staat om een huishouden draaiend te houden, een man sociaal acceptabel te kleden en een hond zodanig te verzorgen dat die er beter uitziet dan de gemiddelde wethouder.
Maar internet? Nee.
Ik keek naar het wifi-icoontje alsof het een vijandig religieus symbool was.
Toen belde ik mijn man.
“Zeg Dik,” zei ik.
Hij nam op met de stem van iemand die al wist dat hij nodig was. Daar word ik altijd een beetje agressief van.
“Hoe kom ik hier op internet?”
Er viel een stilte.
Niet omdat hij het niet wist. God verhoede. Maar omdat hij genoot van het moment. Mannen die technisch onmisbaar zijn, hebben een manier van zwijgen die je zou moeten kunnen belasten.
“Heb je het netwerk geselecteerd?” vroeg hij.
Ik keek naar het scherm.
“Er staan er vijf.”
“Welke namen zie je?”
Ik las ze voor.
Bij de derde zuchtte hij.
“Die niet.”
Alsof ik dat had moeten weten. Alsof elk normaal mens instinctief begrijpt dat je niet moet klikken op TP-Link_5G_Guest_Ext, omdat dat waarschijnlijk de printer van de buren is of een noodkanaal van de brandweer.
Daarna vroeg hij naar het wachtwoord.
“Waar staat dat?”
“Op de router,” zei hij.
“Welke router?”
Weer die stilte.
Ik zat op een werkplek in de stad. Niet in ons huis. Niet in zijn kabelnest. Niet in zijn natuurlijke habitat. Er stonden daar drie zwarte kastjes, twee witte kastjes en een grijs kastje met meer lampjes dan een kerststal bij mensen zonder smaak.
“Het kastje waar internet binnenkomt,” zei hij.
Daarmee was alles opgelost, vond hij.
Voor mij is “het kastje waar internet binnenkomt” hetzelfde als “de plek waar de ziel het lichaam betreedt”. Interessant, maar moeilijk aan te wijzen.
En toen voelde ik het. Niet woede. Niet paniek. Iets ergers.
Afhankelijkheid.
De digitale wurggreep.
Niet omdat hij mij expres klein houdt. Mijn man heeft veel gebreken, maar kwaadaardige systeemarchitectuur is daar vermoedelijk niet één van. Hij heeft dit niet bedacht. Ik heb het laten gebeuren. Omdat het makkelijk was. Omdat ik belangrijkere dingen te doen had. Omdat hij het sneller kon. Omdat ik na drie minuten uitleg over poorten, netwerken en instellingen liever de trap ging dweilen met een tandenborstel.
Maar gemak heeft rente.
En die rente betaal je op het moment dat je alleen achter een computer zit en niet weet hoe je in vredesnaam toegang krijgt tot de beschaving.
Mannen hebben hetzelfde probleem, maar dan andersom. Die laten vrouwen alles regelen wat met het dagelijks leven te maken heeft. De was. De boodschappen. De verjaardagen. De kledingkasten. De afspraak bij de tandarts. Het feit dat er in december ineens kerstkaarten blijken te bestaan. Zolang wij dat doen, hoeven zij het niet te leren.
Maar als het misgaat, hebben zij het makkelijker.
Een wasmachineprogramma onder de knie krijgen is vervelend, maar overzichtelijk. Je stopt er was in, je draait aan een knop, en als alles roze wordt, heb je iets geleerd. Een router installeren is anders. Daar krijg je schermen bij met termen die klinken alsof ze uit een spionageroman komen: IP-adres, subnetmasker, gateway, DNS, terminal.
Terminal.
Alleen dat woord al. Alsof je computer niet geholpen wil worden, maar stervende is.
Mijn man typt daar dingen in. Vrijwillig. Witte letters op een zwart scherm. Hij zegt dan dat hij “even iets aanpast”. Ik noem dat digitaal voodoo.
Ik heb één keer gevraagd of ik dat ook moest leren.
Hij zei: “Dat hoeft niet hoor.”
Dat klonk lief.
Nu hoor ik pas wat hij eigenlijk zei.
Blijf maar afhankelijk, schat.
Daarom heb ik een besluit genomen. Niet dramatisch. Niet met koffers. Niet met de hond. Dit keer nog niet. Maar ik ga het leren. Niet alles. Ik hoef geen vrouw te worden die op verjaardagen begint over firmware. Er zijn grenzen aan zelfverbetering.
Maar ik wil weten waar mijn bestanden staan.
Ik wil mijn eigen wachtwoorden kennen.
Ik wil weten hoe ik op internet kom zonder een man te bellen die hoorbaar geniet van mijn hulpeloosheid.
Ik wil een router kunnen herkennen in het wild.
Misschien koop ik zelfs een schrift. Een digitaal noodschrift, maar dan van papier, want papier start altijd op. Daarin schrijf ik alles op wat ik moet weten om niet bij elke storing terug te vallen in de negentiende eeuw.
Naam wifi. Wachtwoord. Waar staat de router. Hoe vind ik mijn documenten. Wat te doen als de printer liegt.
En bovenaan schrijf ik: Niet aan Dik vragen voordat ik zelf drie dingen heb geprobeerd. Dat lijkt me een goed begin.
Al moet ik toegeven dat ik gisteren alweer bijna faalde. Ik wilde op mijn werkplek een tekst openen. Ik wist zeker dat ik hem had opgeslagen. Hij was weg. Niet echt weg, zei mijn man later. Hij stond “in de cloud”.
De cloud. Daar heb je het volgende probleem.
Vroeger waren wolken gewoon dingen waar regen uit kwam. Nu zijn het digitale opslagplaatsen waar je teksten verdwijnen om later door je man teruggevonden te worden met een blik die zegt: hoe heb jij ooit volwassen kunnen worden?
Ik heb hem bedankt.
Koeltjes.
Daarna heb ik gevraagd of hij wist op welk programma de handdoeken gewassen moesten worden.
Dat wist hij niet.
Kijk.
We staan allebei nog aan het begin.
O ja.. ik heb een nieuwe computer. Het bleek namelijk dat ik op die vorige geen internet kon ontvangen.
Dus het lag niet aan mij,
Hij heeft ‘m omgeruild met een die wel internetvriendelijk is.
Ik vind deze ook veel mooier.
Jammer alleen dat hij niet in het roze is.









Geef een reactie