Ik wil nog even terugkomen op mijn val van vorige week. Dat doe ik niet graag. Ik ben niet het type vrouw dat eindeloos blijft hangen in lichamelijk ongemak. Ik ben meer het type dat lichamelijk ongemak eerst negeert, daarna bestrijdt met middelen die toevallig nog in een lade liggen, en pas naar de huisarts gaat wanneer het lichaamsdeel in kwestie al een week lang signalen afgeeft alsof er een mijnramp heeft plaatsgevonden.
Zoals zo vaak gebeurde het natuurlijk op een moment dat je denkt: dit komt mij nu heel slecht uit. Dat is altijd zo met rampspoed. Die wacht nooit tot je agenda leeg is. Je valt niet op een rustig moment van de trap, met soep in de vriezer, een uitgelaten hond en een man die zegt: “Laat alles maar liggen, ik regel het.” Nee. Je valt wanneer er nog van alles moet. De hond moet eruit. Er moet opgeruimd worden. Er ligt was. Er staat een pakje voor de deur. En in mijn geval moest mijn man dat weekend ook nog op expeditie naar Mars.
Dat stond al maanden gepland en zoiets kun je natuurlijk niet zomaar verzetten.
Ik begrijp dat. De ruimtevaart is een serieuze zaak. Een vrouw kan een schouder hebben die aanvoelt alsof iemand er een tuinhark in heeft laten zitten, maar een Marsexpeditie heeft nu eenmaal een tijdvenster. Lanceringen zijn niet hetzelfde als een afspraak bij de kapper. Daar komen berekeningen bij kijken. Schema’s. Brandstof. Vermoedelijk ook mannen met clipboards.
Bovendien zou ik de communicatie met het thuisfront verzorgen.
Dat was belangrijk. Iemand moet tenslotte aan de aarde doorgeven dat alles naar wens verloopt, dat de astronauten voldoende drinken en dat de hond ondertussen niet in de hal heeft overgegeven. Die verantwoordelijkheid neem ik serieus. Zelfs met een arm die alleen nog decoratief aan mijn romp hing.
Daar kwam bij dat hij een pakje brood mee moest voor onderweg.
Ook dat was ik bijna vergeten.
En tot overmaat van ramp zat er een winkelhaak in zijn ruimtepak. Daar kun je een man toch niet mee laten vertrekken. Niet naar Mars. Niet met een scheur in zijn pak. Dat staat zo slordig en onverzorgd. Wat zouden de vrouwen van de andere Marstronauten wel niet denken?
Daar heb je haar weer, zouden ze zeggen. Die mevrouw Verschuur. Laat haar man gewoon met een kapot ruimtepak de dampkring verlaten. Alsof ik een slonzig type ben. Dus heb ik, terwijl mijn linkerkant inmiddels klonk als een bestekla in een centrifuge, eerst gedaan wat gedaan moest worden. Brood. Hond. Lanceerplatform. Communicatie. Ruimtepak.
Gelukkig had ik nog een voorraadje oxycodon liggen van toen ik een nieuwe heup had gekregen.
Ik weet dat je dat officieel misschien niet zo moet zeggen. Er zijn mensen die vinden dat je oude medicijnen moet inleveren. Die mensen hebben duidelijk nog nooit een weekend moeten overbruggen met een kapotte schouder en een man die naar Mars moest. Soms is een medicijnkastje geen opslagplek, maar een noodplan. Daarmee ben ik het weekend doorgekomen.
Niet elegant. Wel effectief.
Ik heb weinig herinnering aan de precieze volgorde van de gebeurtenissen. Ik weet dat ik de hond heb uitgelaten. Ik weet dat ik iets heb gezegd over een winkelhaak. Ik weet dat Dik iets appte over voorbereidingen. Ik weet ook dat ik ergens halverwege zondag met mijn hoofd tegen een keukenkastje stond omdat ik even was vergeten waarom ik daarheen was gelopen.
Maar we hebben het gered.
De expeditie kon doorgaan.
De hond leefde, het ruimtepak zag er aanvaardbaar uit en ik ademde nog.
Dus heb ik vanochtend, nadat ik het lanceerplatform had opgeruimd en de hond had uitgelaten, toch maar de huisarts gebeld. Ik vond dat ik inmiddels voldoende bewijs had verzameld dat dit geen gewone blauwe plek was. Een gewone blauwe plek zegt: au. Mijn schouder zei: u hebt een ernstig bestuurlijk probleem in uw bovenlichaam.
Ik kon gelukkig meteen terecht.
Dat kwam, zei de assistente, doordat de huisarts mijn verhaal had gelezen.
Kijk.
Daar heeft een column op het wereldwijde webnetwerk dus nut voor. Je denkt dat je alleen schrijft om uw medemens te vermaken en uw eigen frustratie nog enigszins stijlvol te verpakken, maar ondertussen blijkt het een medische verwijsbrief met literaire pretenties.De huisarts keek bezorgd. Dat is altijd een slecht teken. Ik heb liever artsen die zakelijk kijken. Zakelijk betekent: vervelend, maar overzichtelijk. Bezorgd betekent: mevrouw, waarom liep u hier nog mee rond terwijl andere mensen bij minder ongemak al een ambulance hadden gebeld en hun kinderen hadden laten overvliegen?
Ze bewoog mijn arm. Ik gaf een geluid dat niet eerder in mij was aangetroffen.
Daarna mocht ik naar het Haga.
Nog voor de lunch zat ik op de poli. Dat klinkt efficiënt, en dat was het ook. Het nadeel van efficiënte zorg is dat je ook snel zekerheid krijgt. En zekerheid is niet altijd prettig. Soms hoop je toch dat iemand zegt: het is gekneusd, doe rustig aan, neem paracetamol en stel u niet aan. Dat zeiden ze niet.
Mijn schouder was gebroken.
Gebroken.
Dat woord heeft gewicht. Gekneusd is nog huiselijk. Verrekt is vervelend. Overbelast klinkt alsof je misschien te veel hebt gedaan, wat in mijn geval vrijwel altijd waar is. Maar gebroken is officieel. Daar zit een röntgenfoto bij. Daar mag je somber van kijken.
Ik appte Dik.
Die reageerde snel.
Dat doet hij meestal wanneer het over dingen gaat die hij kan googelen.
“Wat erg,” schreef hij. “Ik heb even gegoogeld en gelezen dat een gebroken schouder heel pijnlijk is. Ik ben heel trots op je dat je op je tanden hebt gebeten en dat we het niet allemaal hebben moeten uitstellen. Heel sterk van je! Wat slim van je dat je die oxycodon had bewaard. Zo zie je maar: nooit iets weggooien. Het kan altijd van pas komen.”
Ik heb dat bericht drie keer gelezen.
Niet omdat ik het niet begreep.
Maar omdat ik wilde vaststellen of ik door de pijnstillers hallucineerde.
Mijn man was trots op mij omdat ik met een gebroken schouder de Marsexpeditie niet had vertraagd.
Dat is liefde, vermoed ik. Niet de vorm waarover dichters schrijven, maar wel de vorm waarin je na jaren huwelijk terechtkomt. Liefde als logistieke waardering. Liefde als compliment omdat je het schema niet in gevaar hebt gebracht. Liefde als: fijn dat jouw botbreuk geen projectrisico is geworden.
En dan die laatste zin.
Nooit iets weggooien.
Daar zit zijn hele levensfilosofie in. Oude kabels. Bordspellen. Schroefjes. Handleidingen. Adaptertjes. Medicijnen. Apple-computers. Uitbreidingen. Een man als Dik ziet in elk voorwerp een mogelijke toekomst. Ik zie vooral stof, ruimtegebrek en een reden om verhuisdozen te vullen.
Maar eerlijk is eerlijk. Deze keer had hij een punt. Daar erger ik mij misschien nog wel het meest aan. Want niets is zo onaangenaam als een man die om de verkeerde redenen gelijk krijgt.
Dus hier zit ik nu. Met een gebroken schouder, een lijf dat zich bij elke beweging beroept op het arbeidsrecht, en een man die vermoedelijk vindt dat mijn herstelperiode een goed moment is om nog eens rustig uit te zoeken welke spullen wij vooral niet moeten weggooien.
Ik kan weinig.
Ik mag weinig.
Ik slaap beroerd.
Mijn haar zit alsof het door de technische dienst van de ruimtevaart is gedaan.
Maar de expeditie naar Mars is doorgegaan.
Het thuisfront is geïnformeerd.
De hond is uitgelaten.
Hij heeft een trommeltje brood mee.
Het ruimtepak is netjes gerepareerd.
En mijn man is beretrots op mij.
Dat is mooi.
Denk ik.
Al blijft er één prangende vraag over.
Als een vrouw met een gebroken schouder nog steeds verantwoordelijk is voor brood, hond, communicatie, naaiwerk en lanceerplatformbeheer, wat moet er dan precies breken voordat iemand anders eens uit zichzelf de boel regelt?
Ik vraag dit niet voor mezelf.
Ik vraag dit voor de wetenschap.
En voor de vrouwen van de andere Marstronauten.









Geef een reactie