Het was een vredige vooravond in een Vinexwijk bij Den Haag.
Dat klinkt als het begin van een politierapport, en dat was het in zekere zin ook bijna. Alleen ontbraken de krijtstrepen nog.
Het was een vredige vooravond in een Vinexwijk bij Den Haag. Het was niet al te warm meer. Buiten vloog een groepje schreeuwende halsbandparkieten voorbij, van die groene hooligans met vleugels die doen alsof de Randstad hun persoonlijk tropenreservaat is. Wij hadden gegeten en ruimden de tafel af. Dik en ik waren verwikkeld in een boeiende discussie over een onderwerp dat ik inmiddels vergeten ben. Dat zegt niets over de kwaliteit van het gesprek. In een huwelijk vergeet je soms het onderwerp, maar de ergernis blijft keurig bewaard.
Toen werd er aangebeld.
Buiten stond de gele bus van de pakjesman. Er zijn geluiden die in dit huis onmiddellijk effect hebben. Het rammelen van een brokjeszak bij Rosa. Het openen van een speldoos bij Dik. En de deurbel wanneer er een pakketbezorger voor de deur staat. Dan krijgt mijn man een blik in zijn ogen die ik in onze verkeringstijd vermoedelijk ook wel eens heb gezien, maar die inmiddels exclusief gereserveerd is voor karton.
Ik hoorde mezelf zeggen: “Wacht maar, ik doe wel open.”
Dat was mijn eerste fout.
Ik droogde mijn handen af en liep al pratend naar beneden. Rosa, onze boerenfox, blafte alsof de buitendeur toegang gaf tot een colonne inbrekers, wolven en vertegenwoordigers van de Belastingdienst. Ik was bijna onderaan toen er nogmaals werd gebeld.
Nogmaals.
Alsof ik een hotelreceptie ben met traag personeel.
“Ja, ja, ik kom al, rustig maar!” riep ik.
Mijn tweede fout was dat ik achterom keek om te zien waar Rosa was. Want ik moest voorkomen dat zij langs me heen zou schieten zodra ik de deur opende. Daar stond immers de pakjesman. En Rosa heeft over pakketbezorgers een duidelijke mening. Die mening bestaat uit blaffen, springen en de overtuiging dat ieder pakket eerst door haar persoonlijk moet worden geïnspecteerd op bedreiging, eetbaarheid en mogelijke familiebanden.
Ik keek dus achterom.
Dat had ik niet moeten doen.
Mijn hoofd dacht dat ik er al was.
Mijn voet verwachtte vaste grond.
Die kwam niet.
Wat daarna gebeurde, duurde in werkelijkheid nog geen seconde. Maar mijn beleving was heel anders. Ik viel niet. Ik trad toe tot een andere tijdzone. Alles vertraagde. Mijn voet tastte wanhopig naar een traptrede die er niet meer was. Mijn armen schoten omhoog. Ik maakte geluiden die ik niet van mezelf kende. Niet echt een gil. Meer het noodsignaal van een vrouw die zojuist ontdekt dat zwaartekracht geen mening is, maar beleid.
Ik verwachtte dat de film van mijn leven in een flits aan mij voorbij zou trekken.
Dat gebeurde niet.
Daar was ik eerlijk gezegd verbaasd over. Je hoort dat altijd. Mensen zeggen dat hun leven aan hen voorbijtrok. Bij mij niet. Geen jeugdherinneringen. Geen eerste kus. Geen trouwdag. Geen ontroerende montage met zachte muziek.
In plaats daarvan schoten er losse levensvragen door mijn hoofd.
Als er idealiter drie koffiebonen in een glas sambuca mogen, hoeveel gehaktballetjes mogen er dan in een bord tomatensoep? Is het velletje van een rookworst nu wel of niet eetbaar? De modder die aan aardappels kleeft wanneer ze gerooid worden, waar blijft die eigenlijk? Akker na akker, jaar na jaar, vrachtwagen na vrachtwagen. Die grond moet ergens heen. Worden de akkers dan langzaam lager? En zo ja, waarom praat niemand daarover?
Ik had nog zoveel vragen.
Waarom moest mijn leven hier eindigen? Niet op een bergtop. Niet in een dramatische storm op zee. Niet desnoods in een fatsoenlijke bibliotheek, met een boek in mijn hand en een melancholieke glimlach rond de mond.
Nee.
Op het laminaat van een hal in een Vinexwoning bij Den Haag.
En dan was er nog de pakjesman. Ik zweer het: nog voordat ik met een enorme klap de vloer raakte, maakte ik mij zorgen over de pakjesman. Dat is dus hoe diep de beschaving in een vrouw kan zitten. Zelfs op weg naar haar vermoedelijke einde denkt zij: die man moet ook verder met zijn route. Ik riep nog: “Dik, doe de deur open en let op Rosa!”
Daar zweefde ik. Languit. Armen boven mijn hoofd. Met duizelingwekkende snelheid onderweg naar het einde van mijn veel te korte leven.
Nog zoveel niet gedaan.
Nog zoveel niet gezegd.
Nog zoveel kastjes niet leeggehaald.
En toen werd alles zwart.
Dat klinkt ernstiger dan het was. Denk ik. Ik weet het niet precies. Ik kwam in elk geval weer terug in de wereld, en dat was niet meteen een verbetering.
Omdat ik mij halverwege mijn val nog had omgedraaid om Dik instructies te geven over de deur en de hond, was ik op mijn linkerzij terechtgekomen. De pijn was verschrikkelijk. Ik kon niet ademhalen. Niet gewoon moeilijk ademen, maar zo’n paniekerig, benauwd, onwaardig happen waarbij je beseft dat lucht eigenlijk zwaar onderschat wordt zolang je er genoeg van hebt.
Rosa blafte nog steeds.
Dik nam een doos aan van de pakjesman.
De pakjesman keek naar mij, liggend op de vloer, en vroeg: “Gaat het?”
Daarna draaide hij zich om en ging verder.
Ik lag te sterven en mijn omgeving had andere prioriteiten. De een had een nieuw spel. De ander moest door met zijn bezorgroute. De hond leverde commentaar. En ik lag daar, kreperend van de pijn, genegeerd door omstanders en worstelend met honderden onbeantwoorde levensvragen. Het is op zulke momenten dat je de ware plaats van de mens in het universum leert kennen.
Die plaats is: onderaan de trap, tussen de deurmat en een pakket.
Ik twijfelde. Moest ik het leven loslaten en daar waar geween is en knersing der tanden wachten op mijn reïncarnatie? En als ik dan terugkwam, als wat? Had ik daar zelf nog enige zeggenschap in? Kon je ergens aanvinken: liever geen trap meer? Liever geen huishouden met pakketbezorging? Liever geen man met een bordspelverzameling? Of moest ik mij verzetten?
Moest ik mijn allerlaatste krachten bundelen, de dood in zijn grijzende gezicht spuwen, mijn middelvinger opsteken en zeggen: “Jammer joh, vandaag nog niet”?
Ik koos voor het laatste.
Niet uit moed.
Uit irritatie.
Irritatie is een onderschatte levenskracht. Liefde houdt mensen overeind, zeggen ze. Hoop ook. Geloof misschien. Maar onderschat nooit de vrouw die denkt: ik ga hier niet dood gaan terwijl mijn man boven een doos staat open te maken. En zo kon het gebeuren dat ik hier nu zit. Suf van de oxycodon en paracetamol, met één hand een stukje te tikken. Langzaam. Scheef. Met een lijf dat bij elke beweging laat weten dat het een klacht heeft ingediend.
Dik is bezorgd. Op zijn manier. Hij vraagt geregeld of het gaat. Dat doet hij meestal vanaf een afstand die precies groot genoeg is om niet per ongeluk iets praktisch te moeten doen.
Bovendien is vanmiddag de lancering van de TeMaGiX-1.
Mijn man heeft dus belangrijkere zaken aan zijn hoofd.
Dat snap ik. De toekomst van de Bordspelwereld hangt volgens hem en zijn kompanen af van het al dan niet slagen van deze expeditie. Een vrouw kan wel van de trap vallen, maar een raketlancering laat zich niet zomaar verzetten. Zeker niet als daar mensen, schema’s, verwachtingen en vermoedelijk ook een spreadsheet bij betrokken zijn.
Ik lig dus niet te klagen.
Ik observeer.
Dat is iets anders.
Ik observeer dat een huishouden in een fractie van een seconde kan veranderen in een rampgebied. Ik observeer dat een boerenfox geen verpleegkundige is. Ik observeer dat pakketbezorgers een mentale training moeten krijgen in het herkennen van vrouwen die niet decoratief op de vloer liggen. En ik observeer vooral dat je als vrouw zelfs tijdens een val nog verantwoordelijk blijft voor de deur, de hond en de logistiek.
Daar zou eens onderzoek naar gedaan moeten worden.
Misschien door de Keuringsdienst van Waarde.
Die kunnen dan meteen uitzoeken hoeveel gehaktballetjes er in een bord tomatensoep horen.
Want ik ben terug.
Ik leef nog – wat gezien mijn avontuur een wonder is – en ik heb nog zo veel vragen.









Geef een reactie