Een buuf vroeg aan me: “Hoe gaat het nu?”
“Nou, kort samengevat: kut met peren!”
“Waar is Bella?”
“Die ligt thuis, dood, op de bank”
Het flopte er uit voor ik er erg in had. We schrokken er allebei van, de buuf en ik.
Ik had ook kunnen zeggen: “Shit met slagroom” maar het werd “Kut met peren!”
Deze week heb ik afscheid moeten nemen van mijn hond Bella Cycka. Bijna dertien jaar waren we samen. Dat is langer dan sommige huwelijken duren en aanzienlijk langer dan de gemiddelde levensduur van kamerplanten in dit huis.
Bella was een Russische. Ze kwam in oktober 2013 naar Nederland. Een uitgemergeld scharminkel uit een asiel bij Moskou, waarin drieduizendvijfhonderd honden zaten opgesloten. Ze leefde daar op water en een soort slurrie waarvan je zelfs in de gevangenis van Siberië zou zeggen dat het menu wel wat gevarieerder mocht.
Toen ze hier kwam, had ze nog geen idee dat ze de rest van haar leven zou doorbrengen bij een vrouw die tegen haar praatte alsof ze Nederlands verstond en een man die aanvankelijk nog ontkende dat hij een hondenmens was, terwijl hij haar ondertussen stiekem stukjes worst toestopte.
Bella Cycka. Bella betekent “wit”. Cycka betekent, afhankelijk van wie je het vraagt, “teef” of “hoer”. Russisch is een taal die weinig ruimte laat voor subtiliteit.
Ze was geen vrolijke hond. Mensen die binnenkwamen, werden eerst uitgebreid uitgescholden. Dat hield pas op wanneer iedereen netjes zat. Vervolgens volgden nog een paar misprijzende grommen, voor het geval iemand dacht dat hij welkom was.
Wanneer iemand opstond om naar het toilet te gaan, begon alles weer opnieuw. De bedoeling was duidelijk: blijf zitten, beweeg niet en maak vooral geen onverwachte plannen.
Bella hield niet van veranderingen. Ze was een chagrijnige witte Russische teef. Misschien krijg je daar nu een beeld bij van een blonde Russische dame met een grote bek. Maar Bella was juist prachtig.
Ze had gitzwarte ogen en fluweelzacht wit haar. Werkelijk overal. Je vond het in je kleding, in de auto, in de wasmachine en vermoedelijk ook in de stratosfeer. Elke dag kon ik genoeg haar verzamelen om er een Noorse trui van te breien.
In al die jaren is ze nooit ziek geweest. Geen operaties, geen medicijnen, geen ellende. Ze was iedere dag even gezond.
En iedere dag even chagrijnig.
Er waren maar twee mensen die ze echt aardig vond: Mijn man Dik en ik. De rest van de mensheid werd gedoogd.
En uitgescholden.
De laatste maanden ging het minder. Ze begon te sjokken. De wandelingen werden korter. Haar ogen werden troebel. Ze hoorde steeds slechter. Soms keek ze me aan met een blik die zei dat ze niet meer precies wist waarom ze in de keuken stond. Als dementie bij honden bestaat, dan had mijn oude meisje daar waarschijnlijk ook een beetje last van.
Maar och, wat hield ik van haar.
Van haar blik.
Van haar heerlijke geur.
Van de manier waarop ze aan tafel kwam bedelen, alsof ze al dagen niet gegeten had, terwijl ze twintig minuten daarvoor haar eigen bak nog had leeggeschrokt.
Van de stiptheid waarmee ze iedere dag aangaf dat het tijd was om te wandelen. Niet vijf minuten later. Niet tien minuten eerder. Precies op tijd.
Van de manier waarop ze me aankeek wanneer ze iets lekkers wilde.
Van haar gesnurk.
Vooral dát mis ik nu merk ik: haar oorverdovende gesnurk.
De laatste maanden werd haar ademhaling steeds zwaarder. Steeds luider.
Longfibrose.
Een rotziekte.
En dan komt dat moment. Dat afschuwelijke moment waarop je moet beslissen dat liefde soms betekent dat je moet loslaten. Dat je iets of iemand moet kunnen laten gaan.
Je wilt het niet. Je wilt nog één wandeling. Nog één keer dat gesnurk horen.
Nog één keer mopperend geblaf wanneer de buurman langsloopt.
Nog één keer die warme kop tegen je been voelen.
Je wilt helemaal geen afscheid.
Je wilt gewoon dat alles blijft zoals het was.
Maar liefde werkt niet zo.
Dus heb ik haar laten gaan.
En dat was het moeilijkste wat ik in lange tijd heb gedaan.
Ze lag in mijn armen.
En toen was ze weg.
Dertien jaar lang hoorde ik haar nagels tikken op de vloer. Dertien jaar lang lag ze naast mijn stoel.
Dertien jaar lang was er altijd iemand die vond dat het tijd was voor een koekje.
Dertien jaar sliep ze elke nacht, languit, tussen ons in.
En nu is het stil.
Veel te stil.
Ik betrap mezelf erop dat ik nog steeds luister naar geluiden die niet meer komen. Dat ik voorzichtig om een mand heen loop die leeg is. Dat ik naar de klok kijk en denk: “We moeten zo gaan wandelen.” Om vervolgens te beseffen dat er niemand meer staat te wachten.
Ik mis haar.
Meer dan ik had gedacht.
Meer dan ik ooit zal toegeven aan mijn man.
Want hij mist haar ook. Dat zie ik wel.
We zijn samen een beetje verdwaald in een huis dat ineens groter is geworden.
We houden ons groot en elkaar overeind
En daarom voelt het leven op dit moment precies zoals ik het eerder deze week omschreef.
Kut met peren.
En voor één keer is dat geen sarcastisch bedoelde grap.
Sommige peren zijn bitter.
En sommige stiltes zijn oorverdovend.










Geef een reactie