Er is iets dat ik jullie nog niet verteld heb. Met het groeien van de bordspelverzameling van mijn man werd de hoeveelheid vrije ruimte in ons huis steeds kleiner. Dat klinkt logisch. Wat minder logisch is, is dat deze territoriale expansie uitsluitend gevolgen had voor míjn vrije ruimte.
Eerst moest mijn naaitafel wijken. Daarna mijn schrijfbureau. Vervolgens verdwenen er wat kastjes waarvan ik altijd had gedacht dat ze van ons waren, maar die bij nader inzien kennelijk uitsluitend van mij waren. Er kwamen spellen voor terug.
Veel spellen.
Niet lang geleden stond mijn man voor de boekenkast.
‘Waarom hebben wij eigenlijk nog boeken?’
Ik keek hem aan.
‘Waarom wij nog boeken hebben?’
‘Ja. Dat is zo ouderwets. Alles is tegenwoordig digitaal beschikbaar. Koop een Kindle. Daar kun je honderd keer zoveel op kwijt.’
Ik heb toen naar hem gekeken op de manier waarop vrouwen naar hun man kijken wanneer ze zich plotseling herinneren dat op doodslag een gevangenisstraf staat.
Onze boekenkasten waren dus ook aan de beurt. En zo kon het gebeuren dat mijn laatste spullen uiteindelijk onder in de kledingkast terechtkwamen en de werkkamer inmiddels ‘de spellenkamer’ heet. Mijn man noemt dat efficiënt gebruik van de beschikbare ruimte. Rusland gebruikt ongeveer dezelfde terminologie wanneer het een buurland binnenvalt.
Ik moest daarna door een moeilijke periode heen.
Maar… het is nog nooit zo donker geweest of het wordt uiteindelijk wel weer licht. Soms zelfs door een raam aan een Haagse gracht.
Een lieve vriend van mij woont in het centrum, in een pand dat eigenlijk veel te groot is voor hem alleen. Op een dag appte hij dat ik bij hem een kamer kon huren om in te werken.
De volgende ochtend heb ik mijn typemachine in een van mijn fietstassen gedaan. In de andere gingen een paar lievelingsboeken en wat spullen die mijn man vermoedelijk toch binnenkort door een uitbreiding van Terraforming Mars zou vervangen.
En ik fietste zingend naar mijn werk.
Dat doe ik inmiddels drie dagen per week. Mijn boeken staan hier nu ook. Die heb ik niet allemaal tegelijk meegenomen. Iedere dag gingen er een paar in de fietstas. Mijn man heeft niets gemerkt. Dat verbaasde me niet. Wanneer er tussen onze voordeur en zijn bordspellenverzameling een middelgrote personenauto zou verdwijnen, vermoed ik dat hij het pas merkt wanneer hij er een doos op wil zetten.
Hier heb ik een plek voor mezelf. Hier schrijf ik. Hier naai ik. Hier herstel ik onze kleding. Hier staan mijn boeken en mijn nieuwe homecomputer en kan ik iets op een tafel laten liggen zonder dat er vijf minuten later een doos met de tekst COLONIES bovenop staat.
Hier drink ik thee met Wim, hier schrijf ik ook mijn columns.
En het fijne is: hier, op mijn werk, kan ik zelfs klusjes doen voor de TeMaGiX-I-expeditie van mijn man.
U ziet: ik ben niet rancuneus.
Samen met mijn vriendin Jet heb ik een embleem ontworpen dat is geïnspireerd op de borstlogo’s van de Gemini- en Apollo-missies uit de jaren zestig en zeventig. Wanneer u ongeveer mijn leeftijd heeft en bij ruimtevaart onmiddellijk het hoofd van Henk Terlingen voor de geest kunt halen, weet u precies wat ik bedoel.
Een rond embleem. Mars. Een raket. De naam van de expeditie. En natuurlijk het jaartal, zodat archeologen over een paar duizend jaar tenminste weten wanneer het allemaal uit de hand liep.
Ik heb er inmiddels een stuk of tien gemaakt op mijn nieuwe borduurmachine. Later deze week naai ik ze op de T-shirts van de mannen.
Meneer Geel krijgt er ook een.
Op zijn borst.
Niet op zijn spellen.
Er zijn grenzen.
Ik ben heel benieuwd wat jullie hiervan vinden.
Schrijf es een reactie, hieronder, in de comments.









Geef een reactie