Er bestaat een woord waarvan ik vind dat het onmiddellijk moet worden opgenomen in het woordenboek.
Belevingsveertje.
Dat is dat ene donzige veertje dat altijd op één ei in een doosje eieren zit. Niet ernaast. Niet onderin het karton. Niet half verstopt tussen twee eieren alsof het daar per ongeluk terecht is gekomen. Nee. Bovenop. Netjes zichtbaar. Liefst op een ei in het midden, waar uw blik vanzelf valt zodra u het doosje opent.
Dat is geen toeval.
U wordt genaaid!
Ik ben bereid veel te geloven. Ik ben getrouwd met een man die ooit beweerde dat een bordspel van driehonderd euro “eigenlijk een investering” was, dus mijn rekbaarheid op het gebied van onzin is bovengemiddeld ontwikkeld. Maar dat ene perfecte pluimpje op dat ene perfect zichtbare ei? Nee. Nogmaals… dat is geen toeval, dat is marketing.
Mijn man zegt dat het gewoon uit het legnest komt. Dat het aan het ei blijft plakken door een beetje vocht of stof… kippenpoep. Hij zei zelfs het woord “natuurlijk”, alsof dat een geruststelling was. Bij mannen betekent “natuurlijk” meestal: ik weet het ook niet, maar ik heb geen zin om het verder uit te zoeken.
Ik heb hem aangekeken.
“Dus jij wilt mij vertellen,” zei ik, “dat in een sector waar bij de kleinste bacteriële verdenking de hele Veluwse kippenwereld wordt geëuthaniseerd, één pluizig veertje in elk eierenkarton “toevallig” door de controle glipt?”
Hij knikte voorzichtig.
Toen wist ik weer waarom hij vroeger nooit rechercheur is geworden.
Want het is nooit een gewone kippenveer. Nooit zo’n lange, harde veer waarmee een kip eruitziet alsof zij net uit een slecht overleg komt. Het is altijd een rond, zacht, schattig, donzig veertje. Een veertje dat niet zegt: “Er heeft hier een dier in de buurt gepoept.” Nee, het zegt: “Goedemorgen, stadsmens. Dit ei is zojuist gelegd door een gelukkige kip met literaire aanleg.”
Want… het is er altijd precies één.
Eén veertje is beleving.
Twee veertjes is achterstallig onderhoud.
Drie veertjes is een reden om de klantenservice te bellen.
Daarom vermoed ik dat er ergens een speciaal kippenras voor wordt gehouden. Geen legkippen, maar veerkippen. Kleine, ronde dieren met een melancholieke blik, gefokt op het produceren van exact het juiste marketingpluis. Ze leggen geen eieren. Ze leveren sfeer.
In een loods naast de inpaklijn zit dan iemand met een haarnetje en een pincet. Voor hem rollen de eierdozen voorbij.
Doosje open.
Ei in het midden.
Pincet omlaag.
Belevingsveertje plaatsen.
Doosje dicht.
Waarschijnlijk is dit inmiddels geautomatiseerd. Dat zou mij niets verbazen. Er bestaat vast een machine voor. De Pluimatic 3000. Ontwikkeld door een man die ooit bij een reclamebureau heeft gezegd: “Mensen willen geen ei. Mensen willen het gevoel beleven dat er een kip aan heeft meegewerkt.”
En daar zitten wij dan. In de supermarkt. Met ons kritische consumentenbewustzijn. We lezen keurmerken. We vergelijken scharrel, vrije uitloop en biologisch. We kijken naar sterren, codes, stempels en beloftes over daglicht. En dan openen we thuis het doosje, zien dat ene veertje en denken: ach, wat landelijk.
Psychologisch om de tuin geleid. Door dons.
Mijn man vindt dat ik er te veel achter zoek. Dat zegt hij vaker wanneer ik iets heb ontdekt waar hij nog niet aan toe is. Volgens hem is het onlogisch dat een bedrijf expres een veertje op een ei zou leggen.
“Waarom zouden ze dat doen?” vroeg hij.
Omdat wij weekdieren zijn, daarom.
Wij willen geloven dat ons voedsel nog ergens vandaan komt. Niet uit een productieketen, maar uit een vriendelijk landschap met een boerenerf, een houten hek en een kip die vrijwillig haar bijdrage levert aan het ontbijt. Dat veertje is geen afval. Het is decor. Het is het rieten mandje van de moderne supermarkt.
En ik eis dat de Keuringsdienst van Waarde dit tot op de bodem uitzoekt.
Ik wil camera’s in de inpaklijn. Ik wil interviews met pluimveehouders die zenuwachtig naar hun laarzen kijken. Ik wil een woordvoerder die zegt: “Wij herkennen ons niet in het beeld van systematisch geplaatste belevingsveertjes.” Ik wil een oud-medewerker die anoniem verklaart dat er vroeger inderdaad met de hand werd gepluimd, maar dat hij daar verder niets over kan zeggen vanwege een geheimhoudingsbeding.
Want wij worden bespeeld.
Niet grof. Niet openlijk. Maar subtiel. Met één veertje. Eén belachelijk klein, perfect geplaatst, donzig leugentje op een ei.
Mijn man zei uiteindelijk dat ik misschien gelijk had.
Dat zei hij niet letterlijk, maar hij zweeg. In ons huwelijk is dat de academische variant.
Morgen koop ik weer eieren. Ik weet nu al wat er gaat gebeuren. Ik open het doosje. Daar ligt het. Middenin. Zacht. Rond. Onschuldig. Het belevingsveertje.
En ik zal het aankijken.
Niet vertederd.
Maar als bewijsstuk.









Geef een reactie