Van Märklin naar Meeple, of: hoe ik opnieuw op een zijspoor terecht kwam.

Er zijn vrouwen van mijn leeftijd die voor de tweede keer in hun leven door dezelfde hel gaan. De eerste keer waren ze acht jaar oud en stonden ze onderaan de zoldertrap te roepen dat het eten klaar was. Hun vader hoorde niets, want hij lag met een soldeerbout onder een modelspoorbaan. Nu zijn ze drieënvijftig en staan ze in de woonkamer te vragen of hun man misschien ook nog van plan is aan het gesprek deel te nemen. Hij hoort opnieuw niets, want hij telt houten grondstoffen in een kartonnen economie.

Ik heb lang gedacht dat dit toeval was. Dat sommige mannen nu eenmaal gevoelig zijn voor kleine onderdelen, onbegrijpelijke systemen en bezigheden waarbij het gezin vooral niet te dichtbij moet komen. Maar hoe langer ik met mijn man samenleef, hoe duidelijker het wordt: de bordspelhobby is geen moderne hobby. Het is modelspoor met andere dooskunst.
Vroeger had je vaders die op zolder een landschap bouwden waar de rest van het gezin alleen naar mocht kijken. Daar lag een spoortraject door een berg van piepschuim, gips en krantenpapier. Er stond een stationnetje bij, drie dennenbomen, een tunnelingang en een sein dat nooit werkte zoals het moest. De man des huizes kon daar hele avonden verdwijnen. Niet omdat hij weg wilde van zijn gezin, zei men dan. Nee, hij was “even bezig”.
Dat “even bezig” duurde meestal tot Kerstmis.

Wij, de kinderen, leerden al vroeg dat vader niet gestoord mocht worden wanneer hij met het spoor bezig was. Je mocht niet op zolder rennen, niet tegen de tafel stoten en vooral niet vragen waarom er alweer een doosje met rails was gekocht. Dat was geen doosje met rails. Dat was een noodzakelijke uitbreiding van het emplacement. Een woord dat werd uitgesproken alsof het ging om nationale infrastructuur, terwijl het in werkelijkheid een ovaaltje op multiplex was waar een locomotief met constipatie overheen kroop.

Nu zit mijn man aan de eettafel met een bordspel. Ook hij is “even bezig”. Ook hier mag niemand tegen de tafel stoten. Ook hier zijn er uitbreidingen die noodzakelijk zijn, al is het basisspel volgens de doos al geschikt voor twee tot vijf spelers, negentig minuten speeltijd en een volledige avond huwelijksverwijdering. Het heet nu geen emplacement meer. Het heet worker placement. Maar ik hoor hetzelfde woord. Ik hoor vooral: blijf uit mijn buurt, ik ben bezig met kleine dingen.

De overeenkomsten zijn pijnlijk nauwkeurig. Bij modelspoor was er altijd nog één wissel nodig. Bij bordspellen is er altijd nog één uitbreiding nodig. Bij modelspoor moest er een extra transformator komen. Bij bordspellen moet er een insert komen, omdat de doos anders niet efficiënt genoeg is ingericht. Bij modelspoor werd het huishoudgeld omgezet in rails, locomotieven en een Zwitsers bergstation. Bij bordspellen verdwijnt het in Kickstarter, deluxe editions, metalen munten en sleeves.
Sleeves zijn plastic hoesjes voor kaarten. Ik leg dit even uit voor mensen die nog denken dat ze in een normaal huishouden wonen. Mijn man schuift kaarten in plastic hoesjes om ze te beschermen tegen slijtage. Dat doet hij met een toewijding die ik in ons huwelijk niet altijd herken. Als ik vraag of hij de tafel wil afnemen, kijkt hij alsof ik hem vraag een cultureel monument te schuren. Maar een kaartje van twee gram krijgt een eigen regenjas.

Soms kijk ik naar die handen. Diezelfde handen die niet weten waar de theedoeken liggen, kunnen met chirurgische precisie een kaart recht in een hoesje schuiven. Diezelfde handen die de vuilniszak pas zien wanneer er een meeuw boven hangt, voelen onmiddellijk dat een kaart een halve millimeter uitsteekt. Dan denk ik: het probleem is niet dat mannen niets zien. Ze zien precies wat hun uitkomt.
Het gaat natuurlijk niet alleen om geld. Het gaat ook om aandacht. De man met de modeltrein keek niet op wanneer zijn dochter haar rapport kwam laten zien. Hij moest net de bovenleiding rechtzetten. De man met de bordspellen kijkt niet op wanneer zijn vrouw vertelt dat de wasmachine klinkt alsof er een konijn in zit. Hij moet net bepalen of hij zijn derde arbeider op hout, steen of voedsel zet. In beide gevallen leer je als vrouw dat je moet wachten tot de hobby klaar is.
Het vervelende is: die hobby is nooit klaar.

Een modelspoorbaan kon altijd groter. Er moest nog een rangeerterrein bij. Een brug. Een bergdorp. Een klein kerkje met een dakje dat belachelijk veel kostte. Bordspellen hebben hetzelfde mechanisme. Eerst is er het basisspel. Daarna komt de uitbreiding. Daarna de mini-uitbreiding. Daarna de jubileumeditie. Daarna de tweede druk, waarin de regels iets zijn aangepast en de houten schijfjes een iets andere kleur hebben. Daarna komt er een nieuwe editie met solo-modus, alsof de man nog niet genoeg alleen was.
Mijn man zegt dat bordspellen sociaal zijn. Dat vind ik een interessante bewering van iemand die al twintig minuten zwijgend naar een tableau staart. Hij noemt dat nadenken. Ik noem dat afwezig zijn met open ogen.

Bij modelspoor mocht je nergens aankomen omdat de boel dan kon ontsporen. Bij bordspellen mag je nergens aankomen omdat de setup dan niet meer klopt. Vroeger stond er een kind bij de spoorbaan met zijn handen op de rug, bang om een boompje om te stoten. Nu sta ik met een kop koffie naast de tafel en krijg ik te horen dat ik voorzichtig moet zijn met het spelersbord. Alsof ik een operatiekamer binnenloop met een dienblad.
Er is ook een verschil. Modelspoor bleef meestal op zolder. Bordspellen hebben zich niet zo netjes gedragen. Die liggen overal. In kasten, onder tafels, naast het bed, achter de bank, op de stoel waar bezoek zou kunnen zitten als bezoek nog een plek had. Modelspoor was een afgesloten rampgebied. Bordspellen zijn een langzaam oprukkende kartonnen bezettingsmacht.
Mijn man noemt het verzamelen. Ik noem het wonen in een magazijn met centrale verwarming.

Soms denk ik aan mijn moeder. Zij stond beneden in de keuken terwijl mijn vader op zolder een Duitse locomotief in schaal H0 liet rondrijden langs een bergmeer dat nooit bestond. Zij riep dat de aardappelen gaar waren. Hij riep terug dat hij zo kwam. Dat deed hij niet. Later hoorde je boven een kort gesis, een vloek en daarna stilte. Dan wist je: er was iets ontspoord. Niet het huwelijk, nog niet. Eerst alleen de trein.

Mijn ouders konden vroeger nooit op vakantie. Niet omdat er geen geld was, hoewel dat na de aanschaf van een Zwitsers bergstation en drie meter flexrails altijd een bespreekbaar punt bleef. Nee, wij konden niet weg omdat mijn vader de dienstregeling van 1964 volgde. Daar kon je niet zomaar een trein op laten uitvallen. Dan raakte het hele systeem ontregeld. Alsof de minister van Verkeer persoonlijk boven op zolder stond mee te kijken of de stoptrein naar Bad Schwalbach wel om 14.17 uur uitreed.
Nu kan ik opnieuw niet op vakantie. Niet omdat mijn man een dienstregeling volgt, maar omdat de pakjesman langs kan komen met een Kickstarter. Dat is tegenwoordig ook een soort dienstregeling, alleen zonder openbaar nut. Je weet nooit precies wanneer hij komt, je weet wel dat je thuis moet zijn, en als je hem mist, begint er een drama met track & trace, afhaalpunten en de zin: “Maar deze is al twee jaar geleden betaald.”

Twee jaar geleden. Dat zegt hij alsof het een argument is. Alsof de tijd die is verstreken tussen betaling en bezorging het pakket een soort emotionele urgentie geeft. Alsof er geen bordspel binnenkomt, maar een vermist familielid dat eindelijk uit een buitenlands kamp terugkeert. Ik moet dan begrip tonen. Voor een doos. Een doos die wij nog nooit hebben gezien, maar die blijkbaar al wel recht heeft op opvang, ruimte en onmiddellijke opening.
Vakantie plannen is daardoor een logistieke operatie geworden. Niet: waar willen we heen? Niet: zullen we een huisje huren? Niet: heb jij zin in zee, stad of bergen? Nee. Eerst moet er gekeken worden of er in die periode nog iets geleverd kan worden. Er zijn spreadsheets. Er zijn updates. Er zijn vage berichten van producenten die ergens schrijven dat de fulfillment naar verwachting in Q3 begint. Mijn man leest dat alsof het weerbericht is voor Normandië.

“Misschien moeten we die week nog even thuisblijven,” zegt hij dan.
Thuisblijven. Voor karton.

Mijn moeder bleef thuis voor de trein van 14.17 uur. Ik blijf thuis voor een doos met houten blokjes uit China. De vooruitgang heeft veel gebracht, maar niet voor vrouwen zoals wij.

Wij zijn nu een generatie verder. De treinen zijn verdwenen, maar de mannen niet. Ze hebben de soldeerbout ingeruild voor een startspelermarker. De rails zijn tegels geworden. De locomotieven zijn miniaturen. De dienstregeling is een rulebook van 32 pagina’s. De zoldertrap is vervangen door de eettafel, maar het gevoel is hetzelfde. Je roept iets naar een man en je krijgt antwoord van een hobby.
Ik zeg niet dat alle mannen zo zijn. Dat zou overdreven zijn. Er zijn ook mannen die vissen, fietsen, fotograferen of in een schuurtje oude motoren uit elkaar halen. De natuur heeft veel manieren gevonden om vrouwen alleen te laten eten.

Maar de bordspelman heeft een bijzondere plaats in dit geheel. Hij is namelijk in de overtuiging dat zijn hobby verbindend is. Hij koopt spellen “voor ons samen”. Vervolgens legt hij een spel op tafel met vijf soorten kaarten, drie scoreborden, asymmetrische facties en een regelboek waarin op pagina 18 staat wat er gebeurt als een havenmeester in fase drie geen graan ontvangt. Daarna kijkt hij verwachtingsvol naar mij en zegt: “Het valt best mee.”

Dat zei mijn vader vroeger ook, vermoed ik, als iemand vroeg of die spoorbaan niet wat veel ruimte innam. Het viel best mee. Het was maar één kamer. En een stukje overloop. En een plank in de schuur. En een deel van het huishoudgeld dat anders waarschijnlijk toch maar aan schoenen, gordijnen of vakanties was verspild.

Mijn man vindt dat ik chargeer. Dat klopt. Dat is een van de weinige vaardigheden die ik in dit huwelijk voldoende heb kunnen oefenen. Maar ik chargeer niet zonder basis. Ik zie de patronen. Ik zie de dozen. Ik zie de blik in zijn ogen wanneer de pakketbezorger aanbelt. Dat is geen normale ontvangst van post. Dat is een hereniging.
Laatst kwam er weer een doos binnen. Groot, zwaar en voorzien van illustraties waarop iemand met een bijl naar een horizon keek. Mijn man zei dat het een bijzondere editie was. Ik vroeg wat er bijzonder aan was. Hij zei dat deze andere houten schijfjes had. Ik heb toen even uit het raam gekeken, zoals vrouwen dat doen wanneer zij hun leven in stilte herberekenen.

Daarna vroeg ik of hij het spel al had.
Hij zei: “Niet deze versie.”
Daar zit alles in. De hele geschiedenis van vaders op zolders en echtgenoten aan tafels. Niet deze versie. Niet dit type rails. Niet deze locomotief. Niet deze uitbreiding. Niet deze druk. Niet deze houten schijfjes. Niet deze teleurstelling, maar wel familie ervan.

Ik denk dat veel vrouwen van mijn leeftijd dit herkennen. Wij zijn opgegroeid met vaders die boven een miniatuurwereld bouwden terwijl beneden de echte wereld doorging. Nu leven we met mannen die aan tafel een miniatuurwereld besturen terwijl wij vragen of iemand nog heeft gedacht aan de vuilnisbak. Het antwoord is meestal nee, maar er is wel een strategie voor de volgende ronde.
Misschien is dat het echte probleem. Niet dat mannen hobby’s hebben. Hobby’s zijn nuttig. Ze houden mensen van straat, al zou ik daar bij mijn man soms een uitzondering voor willen maken. Het probleem is dat sommige hobby’s een eigen zwaartekracht krijgen. Alles draait eromheen. Tijd, geld, aandacht, kasten, gesprekken, vakanties. Voor je het weet, ben je niet meer getrouwd met een man, maar met een hobby die toevallig een man gebruikt om dozen open te maken.

En de hobby praat terug. Dat is het ergste. Niet letterlijk natuurlijk, al scheelt het weinig wanneer mijn man de inhoud van een nieuwe doos hardop inventariseert. “Mooi karton,” zegt hij dan. “Goede dikte.” Ik heb in mijn leven veel meegemaakt, maar ik had nooit gedacht dat ik jaloers zou worden op kartondikte.
Er zit ook een taal bij. Modelspoormannen hadden woorden als wisselstraat, bovenleiding en keerlus. Bordspelmannen hebben woorden als engine building, tableau, resource management en asymmetrische spelerskrachten. Het zijn geen woorden, het zijn greppels. Zodra zo’n woord valt, weet je dat je er als normaal mens niet meer overheen komt. Je staat aan de verkeerde kant van het gesprek en ziet in de verte je avond verdwijnen.

En toch. Ik zal eerlijk zijn, al moet u dit niet tegen hem zeggen. Er zit ook iets aandoenlijks in. Die mannen met hun rails en hun tegels proberen misschien orde te maken in een wereld die niet naar hen luistert. Een trein rijdt tenminste waar de rails liggen. Een bordspel heeft regels, zelfs als niemand ze begrijpt. Een houten blokje doet wat het moet doen. Dat kun je van mensen niet altijd zeggen.

Maar aandoenlijkheid heeft grenzen. Vooral wanneer er alweer een doos in de gang staat.

Daarom heb ik besloten dat ik mijn jeugd niet nog eens volledig laat naspelen. Ik ga niet opnieuw onderaan de zoldertrap staan wachten tot een man klaar is met zijn miniatuurwereld. Als mijn man nog één keer zegt dat hij “even bezig” is, trek ik een jas aan en ga ik iets voor mezelf doen. Misschien koop ik schoenen. Misschien ga ik lunchen. Misschien begin ik een hobby die opmerkelijk veel ruimte inneemt en waarvan hij nergens aan mag komen.

Ik denk aan keramiek.
Met een oven op zolder.
En een strikt stookschema uit 1964.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Waarschuwing!

Welkom in mijn leven, waar sarcasme op het aanrecht ligt en mijn echtgenoot — een bordspelverzamelaar met huishoudallergie — dagelijks de bron is van mijn ergernissen. Verwacht geen tips, wel treffende observaties, bittere grappen en het geluid van een vrouw die al voor de derde keer deze week een was doet terwijl hij “even snel iets opzet dat maar 90 minuten duurt”.

Voor wie houdt van ironie met een vleug lipstick: Ik ben mevrouw Verschuur en ik ben dit blog begonnen als lotgenotengroep voor vrouwen die ooit dachten: “Wat kan er mis zijn met een man die houdt van spelletjes?”